Eerste Deel

Als gevolg van de Novemberrevolutie in 1918 hielden de monarchieën op te bestaan bij zowel het Duitse keizerrijk als bij de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Keizer Wilhelm II kreeg asiel in Nederland. En Duitsland werd de Republiek van Weimar, omdat in 1919 te Weimar de nieuwe grondwet van kracht ging. De gewezen keizer van Oostenrijk, Karel (= 1922), bleef aanvankelijk met het gezin nog in zijn land wonen, maar ging later alsnog in ballingschap. Ook Oostenrijk kreeg als republiek honderd jaar geleden een grondwet. Minder bekend is het dat Finland in het jaar 1918 juist op weg was, om een monarchie te worden. Er was al een nieuwe koning verkozen (op 9 oktober 1918, Frederik Karel van Hessen-Kassel). Maar betrokkene was naaste familie van de Duitse keizer. Ruim een maand later zag hij er daarom alsnog vanaf, om de Finse troon te bestijgen.

Er is overigens een ander Scandinavisch land met wel een jonge monarchie als staatsvorm, te weten Noorwegen. Nadat het land zich in 1905 van Zweden had afgescheiden, werd iemand die tot het Deense koningshuis behoorde in 1909 de nieuwe Noorse koning: Karel van Denemarken. Als bijzonderheid van het Noorse vorstenhuis kan worden opgemerkt dat Karels opvolger, koning Olaf van Noorwegen (1903 – 1991), eigenlijk geen zoon van Karel kan zijn geweest. Er was namelijk erg veel onderlinge verwantschap tussen de regerende families van Denemarken, Zweden en nu ook Noorwegen. Het zou het bij het gezin van koning Olaf tot degeneratie geleid hebben. (Wellicht was de vader van koning Olaf: Sir Guy Francis Laking, 1875 -1919).

VAN HABSBURG-LOTHARINGEN

Zoals bekend brak de Eerste Wereldoorlog in 1914 uit, nadat troonopvolger aartshertog Frans Ferdinand van Oostenrijk en zijn echtgenote Sophie in Sarajevo (hoofdstad destijds van Oostenrijks Servië) door een extremist werden omgebracht. Aangezien de Oostenrijkse keizer Frans Jozef tijdens de oorlog in 1916 op hoge leeftijd overleed, zou men verwachten dat nu de zoon van de vermoorde aartshertog als keizer zou opvolgen. Dit gebeurde echter niet, omdat het huwelijk tussen aartshertog Frans Ferdinand en Sophie, geb. gravin Chotek, als morganatisch gold. Deze oudste tak van de Habsburgers gaat daarom onder een andere naam door het leven, die van hertog van Hohenberg. De latere chef van het Huis Habsburg-Lotharingen sinds 1922, de in de 20e eeuw bekende en alom gerespecteerde Otto van Habsburg (1912 – 2011), behoorde dus tot een volgende afstammingslijn.

Verrassend is het dat er officieel nog in 1930 een andere morganatische tak ontstond (bij beschikking van de Neder-Oostenrijkse ‘Landesregierung’), die dus niet meer in verband staat met het (voormalige keizerlijke) Huis van Oostenrijk, namelijk dat van de graven, later (1949) prinsen van Altenburg. In de 21e eeuw wordt de Huiswet van het Huis Oostenrijk echter zeer ruim opgevat. Iedereen van de Habsburgse familie kan zich als een aartshertog(in) van Oostenrijk beschouwen. Natuurlijk gaat het daarbij alleen om een titre de courtoisie. Want officieel zijn adellijke titels in Oostenrijk verboden.

Onder de Nederlandse adel is slechts één geslacht uit Oostenrijk afkomstig, namelijk dat van Filz von Reiterdank. De inlijving dateert uit 1984. Aansluitend is de boeiende familiegeschiedenis te lezen. In de volgende Nieuwsbrief zullen er kort enkele vroegere Duitse koninkrijken worden besproken, die van Beieren, Pruisen en Saksen. Tevens worden er dan enkele families belicht, die daar uit afkomstig zijn.

Duitsland en Oostenrijk, 1918 – 1919

Deel 2

Inleiding

Bij het Duitse keizerrijk ging het om twintig heersers die in 1918 afstand deden van hun troon. Zij regeerden over in totaal 22 vorstendommen. Het verschil van twee is erin gelegen dat de groothertog van Mecklenburg-Schwerin destijds tevens de soeverein was van Mecklenburg-Strelitz. Ook de beide vorstendommen Schwarzburg hadden slechts één vorst. Alvorens een aantal van deze vorstenhuizen na te lopen, kan er in herinnering worden gebracht dat enkele leden ervan in het verre verleden ook voor onze streken van betekenis zijn geweest.

Zo kennen we graven van Holland uit het Huis van Beieren. De geslachtsnaam Van Aerssen Beyeren van Voshol hangt ermee samen. Maar het gaat dan wel om een bastaardtak ‘Beyeren’ (eigenlijk Van Beijeren van Schagen) waar Van Aerssen door huwelijk mee verbonden werd. Het Huis van Saksen speelde een rol bij de geschiedenis van Friesland. In 1498 werd Albrecht van Saksen er gouverneur. Dit zou het einde betekenen van de Friese Vrijheid. In 1524 werd het Westlauwerse deel bij de Habsburgse Nederlanden gevoegd. Door het Saksische bestuur kwamen er families van elders naar Friesland waaronder Thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg. Weer in een andere periode, namelijk in de 18e eeuw, raakte een gedeelte van het Opper-Gelre onder Pruisische heerschappij. De westelijke grens ervan lag bij Afferden, Venray, Meijel en Kessel (boven Roermond). Een invloedrijke familie was er De Keverberg van Aldenghoor.

De eerste landsheer van Pruisisch Gelre was koning Frederik Willem I, bekend als de ‘Soldatenkoning’ (1688-1740). In 1713 erfde hij de titel prins van Oranje, maar dit slechts in naam. Want het prinsdom Orange was in 1702 definitief aan de Franse kroon gekomen na het overlijden van stadhouder Willem III, graaf van Nassau, regerend prins van Oranje. Het was deze Frederik Willem I van Pruisen die in 1732 aan de Friese tak Van Nassau toestond om eveneens de ceremoniële titel prins van Oranje te gaan voeren.

Pruisen (Oranje) en Hohenzollern

Zoals algemeen bekend kreeg de Duitse keizer Wilhelm II, tevens koning van Pruisen (uit het geslacht Hohenzollern, 1859-1941), asiel in Nederland. Hij had Duitsland de Eerste Wereldoorlog in gesleept, waarbij hij gehoor gegeven had aan het advies van de legerstaf. Het voorstel om hem te vervolgen kreeg weinig bijval. De koning van Engeland bijvoorbeeld (neef van zowel de laatste tsaar als van de Duitse keizer) wilde in deze revolutionaire tijd geen vragen over zijn eigen positie uitlokken.

Op goede gronden zag Wilhelm II zich als “de” prins van Oranje, of om het anders te stellen als een Oranje-Hohenzollern. In zijn nieuwe woonplaats Doorn betoonde hij zich een weldoener te zijn voor de plaatselijke bevolking. Zijn oudste zoon, kroonprins Wilhelm, liet zich in Duitsland sterk in met de opkomende dictatuur. Een nazaat is Georg van Pruisen (geb. 1976). Als chef van de familie kwam hij deze zomer in het nieuws, omdat hij alsnog goederen van de staat claimt die ooit aan zijn Huis hebben toebehoord. De verontwaardiging bij het publiek over deze vordering is groot, maar de Duitse overheid neemt de eis serieus. Anders dan men denkt is genoemde Georg weliswaar hoofd van het Huis Pruisen, maar is hij niet de oudste van het geslacht. Georg wordt echter het meest representatief geacht, door de hoge geboorte van zijn moeder. De oudere takken van het geslacht zijn minder voornaam door huwelijken met burgers.

Naast de Pruisische tak van Hohenzollern is er de katholieke tak van de prinsen van Hohenzollern in Zuid-Duitsland, vroeger Hohenzollern-Sigmaringen geheten. Deze familie was ooit heer van Boxmeer (N-Br) en van Huys Bergh, waartoe uitgebreide bezittingen behoorden (gem. Montferland, Gld). Er bestaat daarom een speciale band tussen dit geslacht uit Zwaben en de beide Nederlandse plaatsen. Een voorouder, Leopold (1835-1905), stelde zich kandidaat voor de Spaanse troon. In reactie hierop verklaarde Frankrijk aan Pruisen de oorlog (Frans-Duitse oorlog van 1870/ ‘71). De katholieke Hohenzollerns hadden hun soevereiniteit reeds in 1849 aan de Pruisische tak overgedragen en waren dus nadien niet meer regerend. Toch geniet het Huis nog aanzien. Het heeft in Zwaben niet onder het communisme te lijden gehad, reden waarom deze ‘Zollerns’ zeer vermogend zijn gebleven. Zij bezitten veel bossen en landerijen die geëxploiteerd worden. Daarnaast legt de prinselijke familie zich toe op het produceren van wijn en sekt. Tevens wordt er in onroerend goed gehandeld. Van oudsher waren er belangen in de staalindustrie, waar echter een einde aan is gekomen. Verder is het Huis actief in de toeristische sector. Kasteel Sigmaringen wordt bijvoorbeeld voor het publiek opengesteld. (Het eigendom van kasteel Hohenzollern wordt gedeeld met de andere tak, die van de Pruisische Hohenzollerns). Tijdens het jaarlijkse carnaval neemt prins Karl Friedrich deel aan de optocht. Gezeten in een koets en verkleed in een boerenkiel wuiven hij en zijn vrouw, Nina de Zomer, het publiek toe.

Beieren

In Beieren wekt de voormalige koninklijke familie nog veel sympathie. De leden ervan treden weinig op de voorgrond. Wel geeft het hoofd van de familie – Frans van Beieren (1933) – acte de présence bij culturele en charitatieve projecten. Frans is officieel ‘hertog’, terwijl deze titel sinds de republiek van Weimar (1919) voor het Huis Beieren eigenlijk verloren ging. Aangezien de bevolking Frans toch hertog ging noemen na het overlijden van zijn vader in 1996, werd deze historische titel alsnog voor hem geformaliseerd. De familie van Frans was tegen het nationaalsocialisme en heeft er ernstig onder geleden. De vrijstaat Beieren kent betrekkelijk veel autonomie. Er bestaat een museum voor speciaal de Beierse geschiedenis en bovendien een museum voor de koningen van Beieren. De populaire kastelen die onder ‘Sprookjeskoning’ Lodewijk II (1845-1886) gebouwd zijn behoren aan de staat toe: Neuschwanstein, Herrenchiemsee, Linderhof. Sinds 1950 wordt er een eigen adelsboek uitgegeven dat steeds wordt geactualiseerd: Der in Bayern immatrikulierte Adel.

Saksen, aan lager wal

Het Huis van Saksen is gecompliceerd. Er bestaat een katholieke tak die begint met Albrecht, of Albert, de hierboven reeds vermelde gouverneur van Friesland. Van deze tak stammen de koningen van Saksen sinds de negentiende eeuw af (hoofdstad Dresden), die ook soeverein van Polen waren geweest. Een telg hiervan was recentelijk Albert prins van Saksen (1934-2012). Omdat hij ongehuwd bleef wenste zijn getrouwde zuster het Huis voort te zetten als Saksen-Gessaphe, via vrouwelijke lijn dus. Maar Albert had nog een volle neef, de ongelukkige Timo prins van Saksen (München 1923 – Emden 1982). Timo raakte aan lager wal: hij was verslaafd aan drugs, had onwettige kinderen (geemigreerd), maar was ook enkele keren getrouwd. Zijn eerste huwelijk was met de dochter van een slager. Uit deze verbintenis werd prins Rüdiger (1953) geboren, die inmiddels zelf al grootvader is. De toekomst zal uitwijzen of diens kleinkinderen als prinsen van Saksen aansluiting zullen vinden bij de beau monde.

De zogenaamde Albertijnse tak had het keurvorsten-dom Saksen (sinds 1547) destijds niet verder opgedeeld onder de erfgenamen. Daarentegen had de staak van Ernst dit juist wel gedaan met het aandeel in het Saksische territorium. Daardoor ontstonden er meerdere protestantse Saksische Huizen. Dat van Saksen-Altenburg is inmiddels uitgestorven, mogelijk staat dit ook het Huis van Saksen-Meiningen te wachten. Stamhouder ervan is Frederik, sinds 2015 ongehuwd vader van zoon Michaël. Op een tragische manier is verder het lot van het Huis van Saksen-Weimar bezegeld, want de enige stamhouder, Georg, verongelukte in 2018 tijdens het paardrijden. Van de Ernestijnse tak is alleen het Huis van Saksen-Coburg zeer uitgebreid. Tot een geheel ander geslacht behoort het Huis van Anhalt, dat echter ook een Saksisch wapenembleem voert. Op termijn zal het gaan uitsterven. Het gezin van Eddie prins van Anhalt (1941) bestaat namelijk alleen uit drie dochters.

Widukind

Het wapen van de vorstelijke Saksische Huizen is gemakkelijk te herkennen door de groene ruitenkrans diagonaal over het schild, die reeds zeer vroeg op zegels voorkwam. Een populair symbool is verder het Saksisch ros, dat ook het Twentse ros genoemd wordt. Het bestaat uit een steigerend zilveren paard op een rood veld. Dit is het wapen van zowel de streek Twente als van Westfalen. Er is een legende die zegt dat het om het paard gaat van de dappere Saksische aanvoerder Widukind uit de achtste eeuw. De hertogen van Brunswijk beschouwden zich als opvolger van Widukind. Sinds 1361 heeft dit Huis daarom het strijdpaard aan het wapen toegevoegd. De laatste regerende hertog was Ernst August van Brunswijk (1887-1953, ook genaamd ‘van Hannover’). Hij kreeg een bedenkelijke reputatie door de manier waarop hij zich tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft verrijkt. Zijn kleinzoon, Hendrik prins van Hannover (1961), neemt als historicus zijn grootvader gedeeltelijk in bescherming.

In Nederland bekende namen

De koninklijke tak van het Huis van Württemberg, waartoe de Nederlandse koningin Sophia, de vrouw van koning Willem III, behoorde, is uitgestorven met Pauline (1877-1965; lid NSDAP). Deze tak werd in Stuttgart opgevolgd door de huidige katholieke familie. Voor de verwantschap van beide takken gaat men terug tot in de achttiende eeuw. Het Huis van Waldeck-Pyrmont stond bijna op uitsterven. De enige stamhouder was Frederik (1865-1946). Berucht werd zijn zoon Jozias, over wie een biografie verscheen: Josias Erbprinz zu Waldeck und Pyrmont, der politische Weg eines hohen SS-Führers. De familie is heden weer ruim vertegenwoordigd. De zuster van Jozias, Helena prinses van Waldeck-Pyrmont, trouwde met Nicolaas hertog van Oldenburg, de enige stamhouder van het geslacht en actief SA-lid. De residentieplaats Oldenburg is door de familie verlaten. Als het belangrijkste bezit fungeert thans landgoed Güldenstein (te Harmsdorf, Holstein). Overigens kwam het geslacht Van Aldenburg (uitgestorven) door bastaardij voort uit de dynasten Van Oldenburg. Die naam werd verbonden aan de stamnaam Bentinck, waardoor de geslachtsnaam van de graven Van Aldenburg-Bentinck ontstond, bekend door kasteel Amerongen en keizer Wilhelm II, die er na zijn vlucht uit Duitsland tijdelijk verbleef. Het Huis van Mecklenburg-Schwerin stierf in mannelijke lijn uit met Frederik (1910-2001; lid NSDAP en SS). Anders staat het Huis van Mecklenburg-Strelitz ervoor. Borwin is namelijk vader van twee zonen: Alexander en Michaël. Deze tak is katholiek en het gezin woont vooral in Zuid-Duitsland. De grootvader van hertog Borwin ging ook door het leven als graaf van Carlow. Hij werd slachtoffer van de dictatuur en is na de oorlog als politiek vervolgde erkend. Bij het Huis van Lippe was Fürst Leopold (1871-1949) weliswaar sympathisant van de NSDAP, maar hij bestemde zijn jongste zoon prins Armin (1924-2015) tot zijn opvolger van kasteel Detmold. Die was namelijk dienstweigeraar geweest.

Verdwenen vorstenhuizen

Van de 20 vorstenhuizen die voor 1918 regeerden, is een derde deel al uitgestorven of staat dit binnen afzienbare tijd te wachten, althans waar het om de toen regerende tak gaat. Het Huis van Schwarzburg bestaat niet meer en van het Huis Reuss eindigde de oudste soevereine tak in 1927 (mannelijke lijn) en de jongste in 1953. In het laatste geval ging het om prins Hendrik XLV Reuss (geb. 1895). Hij werd in 1945 door de Russen gevangen genomen en gold nadien als vermist. Daarom is 1953 een fictief jaar van overlijden voor hem. Bij het geslacht Reuss dat nog wel voortleeft, gaat het om de staak tot ‘Köstritz’. Voor de samenhang van Reuss-Köstritz met de destijds regerende takken (1918) moet men in de stamboom Reuss ver terug, tot vóór 1700. En waar kan Hermine prinses Reuss worden geplaatst, sinds 1922 de tweede echtgenote van de voormalige keizer Wilhelm II? Zij behoorde tot de oudste tak Reuss. Hermine was eerder douairière prins von Schoenaich-Carolath. Haar oudste zoon Hans uit het eerste huwelijk werd reeds in 1930 lid van de NSDAP. ‘Keizerin’ Hermine, zoals zij zich liet noemen, is na de dood van haar man naar Duitsland teruggekeerd. Zij werd door de Russen geïnterneerd en overleed in 1947.

Het voorgaande roept de vraag op naar het gebruik van de naam en titel prins van Oranje – Nassau, waar men in ons land sterk aan gehecht is. De laatste man uit het historische Huis van Oranje-Nassau was koning Willem III (1817-1890). In rechte lijn, dus in mannelijke lijn, stamde koningin Wilhelmina (1880- 1962) van hem af. Met haar eindigde het Huis van Oranje-Nassau volgens het traditionele adelsrecht, maar niet volgens de Nederlandse Grondwet.

Titus von Bönninghausen

Literatuur

  • Internet, Nederlandse Adelsvereniging
  • Lijst van vorsten in het Duitse keizerrijk
  • Ann Biesemans en Tim Trachet: ‘November 1918, de maand dat 20 Duitse vorsten moesten aftreden’
  • Wim Hulsman: ‘Revolutie’
  • ‘Lange rij Duitse vorsten’ en ‘Duitse vorstenhuizen’ in Reformatorisch Dagblad (26 nov. 2018 – 28 jan. 2019) – Bulletin Museum Huis Doorn
  • Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog
  • Prof. Frank-Lothar Kroll

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.