Het derde deel met het thema Maarten Luther (1517/ 2017) kent gedeeltelijk een andere opzet dan de beide voorgaande keren. Dit met de be­doeling, om op die manier meer variatie te ver­krijgen in de artikelen. Er wordt begonnen met een bijdrage over de familie Von Maltzahn, ge­volgd door een stukje over Von dem Borne. Nu is eerstgenoemde familie bijzonder uitgebreid. De auteur hierover, Dietz von Maltzahn, heeft zich in zijn bijdrage expres tot het hoofdthema beperkt. Maar het heeft zijn instemming, dat er alsnog verwijzingen bij internet aan werden toegevoegd.1)Informatief is de Duitse Wikipedia met als trefwoord 1. Maltzahn; 2. Helmuth von Maltzahn (Verwaltungs-jurist). Hij was grootvader van de Nederlandse tak; 3. Schloss Ulrichshusen; (4. Kummerow; 5. Gültz).
En de site van Gutshaeuser und Schlösser met 1. The Von Maltzahn Family; 2. Gutshaus Schloss Grubenhagen. Tenslotte: www.gutpinnow.de
Het geslacht Von dem Borne heeft een eigen site, zoals nog zal blijken. Dan volgt er een artikel over: Van Cammingha en Van Asbeck, waarbij echter ook aspecten van de Friese adel worden belicht. Tenslotte is er aandacht voor ge­slachten met een kruis als wapenfiguur. Het the­ma ‘Luther en religie’ zal in de volgende Nieuwsbrief worden afgesloten.

De pdf-versie van het artikel (zoals deze is gepubliceerd), kunt U hier vinden: Luther, deel 3 2018.

Von Maltzahn

Von Maltzahn

De familie Von Maltzahn, die sinds inlijving van ondergetekende ook deel van de Nederlandse adel vormt, heeft raakvlakken met Luther.  In 1892 werden bij de restauratie van de beroemde slotkerk in Wittenberg (sinds 1996 werelderfgoed) de namen en wapens van met Luther verbonden edellieden en humanisten in de kerk aangebracht. Zij zijn nog steeds te bezichtigen. Onder de vervaardigde wapenborden bevindt zich die van Dietrich Moltzan te Grubenhagen, Mecklenburg. Hij was ten tijde van Luther een van de toonaangevende persoonlijkheden in Mecklenburg en stamde uit een riddermatig geslacht dat voor het eerst 1194 in Ratzeburg vermeld wordt. De burcht Grubenhagen (later: het landhuis) met landgoed is van ca. 1360 tot 1945 in de familie gebleven. Het landgoed wordt sinds de val van de Berlijnse muur als pachtgrond geëxploiteerd. Dietrich, geboren tussen 1495-1500, schrijft zich 1514 in aan de universiteit te Wittenberg. Daar leert hij vermoedelijk Maarten Luther kennen. Vanuit Wittenberg gaat hij voor verdere studie naar Padua, waar hij de doctorsgraad in de Rechten behaalt. De hertogen van Mecklenburg maken vervolgens gebruik van zijn diensten. In 1543 correspondeert hij met Maarten Luther over de aanstelling van een Luthers predikant in Grubenhagen. Luther beveelt hem een Fries met de voornaam Johannes aan, aangeduid als “Frisius”. In het “Ordiniertenbuch” van de universiteit Wittenberg is aangetekend dat deze Fries, afkomstig uit “Sneck” (bedoeld zal zijn: Sneek), op 3 oktober 1543 beroepen is naar Grubenhagen in het vorstendom Mecklenburg. Volgens Melanchton, rechterhand van Luther, is de Fries abt van het klooster te “Adwerden” geweest (bedoeld is waarschijnlijk Aduard). Frisius heeft het niet lang uitgehouden in Grubenhagen. Vanwege zijn “schlechte Aussprache” was hij na drie jaar weer weg. Op de Mecklenburgse landdag van 20 juni 1549 kiezen de standen voor de leer van Maarten Luther. Tot het nemen van dat besluit heeft volgens overlevering Dietrich Moltzan een belangrijke rol gespeeld. In de Maria- en Nicolaaskerk te Sternberg is hij prominent afgebeeld in een fresco van deze Landdag uit de jaren negentig van de 19e eeuw. Bij gebreke van een eigentijds portret heeft de schilder Dietrich de gelaatstrekken gegeven van één van de initiatiefnemers tot het schilderen van deze fresco, Thomson Freiherr von Biel. Het onderstaande fragment toont Dietrich in harnas, met aan zijn rechterzijde enige ridders en aan zijn linkerzijde vertegenwoordigers van de steden. Hij lijkt indringend op de stedelingen in te praten.

De familie Von Maltzahn en Von Maltzan telt ca. 218 mannelijke en vrouwelijke naamdragers op grond van geboorte. De meesten van hen wonen in West-Duitsland. In 1945 zijn in Mecklenburg-Vorpommern alle (twaalf) landgoederen van de familie zonder schadevergoeding onteigend. Na de val van de Berlijnse muur in 1989 besloten een vijftal neven terug te keren naar het land van hun voorouders. Zij hebben de vaak in ruïneuze staat verkerende historische gebouwen, waaronder een “Wasserschloss” uit 1562, gerestaureerd en exploiteren met veel inzet hun deels gepachte landgoederen.

Dietz von Maltzahn

Bronnen
Mecklenburgisches Jahrbuch XXIV (1859), Seiten 54-69, Nrs 2 & 3
Die Stadtkirche St.Maria und St.Nikolaus in Sternberg, Ev.Lutherische Landeskirche Mecklenburgs 2012

Von dem Borne

Komt het geslacht Von dem Borne oorspronkelijk uit Twente, uit de gemeente Borne? Ook in Duitsland wordt deze vraag wel eens opgeworpen. In dat land zijn er wel plaatsen met de naam Born, maar niet Borne. Voor de herkomst moet men echter niet in Nederland zijn, maar in het huidige Polen. Waarschijnlijk in Ostrowice, waartoe Borne (Duits: Born) behoort en verder een ander voormalig bezit van de familie: Dolgie (Duits: Dolgen). Meer naar het zuiden ervan bevindt zich Von dem Borne’s vroegere kasteel Barnówko (Berneuchen). De Nederlandse afstammelingen hadden er lange tijd geen band meer mee. Die was verdwenen met Ernst Wilhelm Kreuzwendedich von dem Borne, toen hij zich in de 19e eeuw op Java vestigde. Diens zoon ging in 1913 bij de Nederlandse adel behoren. De voornaam Kreuzwende (nadien Kreu[t]zwendedich) wordt sinds de 17e eeuw aan zonen gegeven, later ook aan dochters. Het gebruik ervan ontstond, toen de familie door het noodlot was getroffen. Met deze voornaam wordt de wens tot uitdrukking gebracht, dat het vernoemde kind ellende (het kruis) bespaard zal blijven, dat die zich moge afwenden. Soms wordt Kreutzwendedich von dem Borne als een dubbele naam opgevat, wat onjuist is. Aangezien de nieuwe generatie weinig kennis heeft over de geschiedenis, plaatste Martijn (geboren 1968) er publiekelijk een vraag over op internet.2)Martijn van Dijck (achternaam van zijn moeder), broer van zowel Ewout van Dijck als van Jurri von dem Borne, en halfbroer van Robert von dem Borne. Vraag en antwoord online, d.d. 7 mei 2014 Daaruit blijkt wel, dat de tijden veranderd zijn. Om dit te verduidelijken volgt hieronder een vers (vrij vertaald), dat afkomstig is uit de publicatie door G. Schmidt over de ‘Familie Von dem Borne’ (1887; online).3)De monografie over Von dem Borne is op de site van de familie volledig in te zien http://www.vondemborne.info/ Het vers staat in deel 1, bladzijde VI. Daaruit spreekt de mentaliteit van de vroegere landadel. Die was volgens het stereotype beeld: dapper, verknocht aan het huis, selfsupporting, natuurgebonden en respectvol. Men ging geen kwesties aan de grote klok hangen! Verder werd ‘de stad’ vanouds gewantrouwd, als politieke tegenstrever van de ridderschap. (De stad wordt hier voorgesteld als een oord van kletspraat).

Met het zwaard zij de vijand (af)geweerd
Met de ploeg de aarde vrucht vermeerd
Vrij in het groene woud zijn lucht [Luft] Zuivere eer leeft er in zijn borst [Brust]
Het geklets in de steden moet hij daar laten Zonder nood zijn haard niet (definitief) verlaten Zo gedijt zijn groeiend nageslacht
Dat is adel’s zede en oude recht

Het blazoen Von dem Borne bestaat uit een blauw schild, waarop een zilveren schuinbalk, die beladen is met drie rode rozen. Dit komt overeen met het Doliwa – wapen in Polen, dat ook bekend staat onder de naam Tres Rosae.4)Zie voor Poolse wapens het artikel ‘De Bieberstein Rogalla Zawadsky’, in: Van Adel, Nieuwsbrief, 5 (2011 – I)  21 – 24. Op internet: Herby szlachty polskiej (galeria) Tevens wordt dit wapen gevoerd door de baronnen von Kerckerinck zu Borg. (Het kasteel Borg bevindt zich onder Münster, Westfalen; in Drensteinfurt).

Van Cammingha, Van Asbeck, Erkende Adel

Wapenbord van Ruurd van Cammingha (1720 – 1793);
Ned. Herv. kerk te Goutum.
Tekst onder het hoofdwapen: De Hoogwelgeboren
Heere – Jr. Ruurd Carel Baron van – Cammingha. Oud
Overste Luitenant – int Regiment Orange Friesland –
Inft. ten dienste deezer Staat etc. etc. – Oud 72 Jaar en
10 Maanden – Obiit den 23 Junij 1793
Kwartieren vaderszijde: Cammingha – Roorda; Wytsma
– Bawema en Humalda gen. Sternsee – Herema; Paffenrode
– Dekema
Moederszijde: Bueren – de Coninck; de Wael – Amstel en
de Huyter – de Voocht; Oudheusden – (Gerarda …)

In 1814 werd Friese edelman Vitus Valerius van Cammingha (1790 – 1852), opgenomen in de Nederlandse adel. Hij was heer van de Wiardastate te Goutum bij Leeuwarden. Vitus behoorde tot een tak van de familie, die het katholieke geloof trouw was gebleven. En dit ondanks de achterstelling, die men destijds daardoor in de Republiek had. Zijn vader, Ruurd van Cammingha (1720 – 1793), was twee keer getrouwd. Zijn eerste echtgenote was Maria de Selys de Fanson. De kinderen uit dit huwelijk hebben het geslacht niet verder voortgezet. Als weduwnaar hertrouwde Ruurd op hoge leeftijd in 1788 met de protestantse Anna Lemper (1754 – 1832). Hun zoon was als vermeld Vitus, ook ‘Wytgard Vitus’ genoemd.5)De belangrijkste parochiekerk van Leeuwarden voor de Reformatie, was aan Sint Vitus gewijd. Alleen de markante toren resteert ervan, de ‘Oldehove’ (St. Vitus van Oldehove). Als martelaar voor het geloof was Vitus in Rome voor de leeuwen geworpen. Deze vielen echter niet aan, maar gingen aan de voeten van Vitus liggen. Op afbeeldingen is de heilige herkenbaar, omdat hij door een leeuw vergezeld gaat. In de plaatsnaam Leeuwarden zit onbedoeld een verwijzing naar een leeuw. Want volgens historicus Paul Noomen houdt het woordje ‘leeuw’ hier verband met ‘luwte’, als: in de luwte van iets zijn. Met Wytgard wordt de plaats Wijtgaard/ Wytgaard bedoeld. Hij werd katholiek gedoopt. Aangezien zijn vader snel kwam te overlijden, werd Vitus door zijn moeder Anna Lemper opgevoed. Dit had tot gevolg, dat hij alsnog protestant werd. Deze ontwikkeling heeft daarmee iets ironisch. Want de positie van de katholieken zou tijdens zijn leven juist gunstiger gaan worden. Vitus was grietman van Leeuwarderadeel van 1823 – 1853. Hij staat vermeld op de kaart van deze grietenij in de bekende Eekhoff – Atlas (1859).6)W. Eekhoff (uitg.): Nieuwe atlas van Friesland (1859, facsimile 1970). Die is online beschikbaar via www.digicollectie.tresoar.nl (Atlas Eekhoff 1849 – 1859). Vergelijk op dezelfde site de voorganger, de fameuze Atlas Schotanus in kleur uit 1718. (Officiee B. Schotanus à Sterringa: Uitbeelding der heerlijkheit Friesland. Facsimile, 1970. En facsimile in kleur, 2015). De Atlas Schotanus heeft bij de dertig grietenijen naast het grietenijwapen ook steeds het wapenschild van een grietman opgenomen. Tevens is iedere kaart verlevendigd door een tafereel. Voor een indruk kan men ook terecht bij J. Werner (red.): Atlas der Neederlanden (2013) 357 – 387 De zoon van Wytgard Vitus was Ruurd (1822 – Breda 1884), gemeenteraadslid van Leeuwarderadeel. Ruurd trouwde met een dochter van een militair bij het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger). De Wiardastate werd nog door hen bewoond, maar de lasten voor het onderhoud van dit slot waren op den duur te groot. Dit bracht Ruurd ertoe, om aan zowel het Fries Genootschap als aan de provincie het voorstel te doen, de Wiardastate van hem over te nemen. Die zou dan een bestemming kunnen krijgen als museum.7)Toen Ruurd en zijn gezin het huis bewoonden, leek het als een soort museum te zijn ingericht. Zijn zwager, Gerard Six, geeft een interessante beschrijving van de ridderzaal, kapel, spookdeur, schilderijen, familiewapens enz. Zie daarvoor ‘Het slot Wiardastate te Goutum’, in de Vrije Fries, 12 (1873) 161 – 214. Online http://images.tresoar.nl/wumkes/periodieken/dvf/
dvf-0198-1873-12.pdf.

Begin 1882 is er een tekening van de Wiardastate gemaakt door Heerke Wenning, ingekleurd met zachte tinten. Op internet: Historisch Centrum Leeuwarden beeldmateriaal beeldbank Wenning. Meer afbeeldingen van de state bij S. Rodenhuis en G. Kingma: Wiarda State een familieslot te Goutum van de families Wiarda, Emingha en Cammingha (2014, geprinte versie). Vanwege de hoge kosten, werd er echter van afgezien. Tot teleurstelling van velen is de state uiteindelijk in 1882 afgebroken. Het gezin van Ruurd had Friesland toen reeds verlaten, om in het Westen van het land te gaan wonen. Daar trouwde diens zoon Vitus in 1889 met de dochter van de predikant van Goutum. Zij werden de ouders van opnieuw Ruurd (Amstelveen 1892 – Wilhelminaoord in Drenthe 1985), de enige stamhouder van het geslacht van Cammingha. Hij trad in 1919 met Louise van Swieten in de echt. Nu is Van Swieten als oude Hollandse adel natuurlijk een bekende naam, ook door hun mooie memorietafel uit de 15e eeuw (online). Maar de adellijke Van Swietens bestonden ook toen al lang niet meer. Het gaat bij Louise om een ander, gelijknamig, geslacht. Haar vader, Eduard, was officier bij het KNIL. (De ouders van Louise waren volle neef en nicht van elkaar, de verwantschap loopt via Van Swieten). En de grootvader van Louise, luitenant-generaal Jan van Swieten, was commandant van het KNIL (1858 – 1862).8)Jhr. Vitus van Cammingha schonk de ‘collectie Van Swieten’ -een archief- aan het KITLV (Leiden). De beschrijving ervan is online te vinden onder inventaris 17. De stamreeks van de onderhavige Van Swietens gaat tot in de Middeleeuwen terug, volgens informatie via: genealogieonline, familiestamboom – de – koning. Louise en haar man Ruurd van Cammingha zouden de ouders worden van drie kinderen. Twee ervan emigreerden na de Tweede Wereldoorlog naar de Verenigde Staten. Ook Christina (Christa, geboren in 1936) verbleef in het buitenland, maar zij woont weer in Nederland. Zij is de laatste der Cammingha’s.9)Een foto van Christa (2009) geeft: https://www.persbureau-ameland.nl/cammingha-even-terug. Wel heeft zij twee dochters en enkele kleinkinderen.

In Leeuwarden bevond zich het Cammingha- of Amelandshuis. In 1984 is het in zijn geheel afgebrand. Het behoorde ooit toe aan de protestant geworden tak van de Cammingha’s, die heer van Ameland was. (Op dit eiland bevond zich ook het Camminghaslot). De laatste van die tak, Frans, overleden in 1680, had opzichtig de 32 wapenschilden van zijn voorouders op het Amelandshuis laten aanbrengen. Daarbij gaat het om de ‘seize quartiers’ van zijn vader, Wytze van Cammingha, en eveneens zestien kwartieren van zijn moeder, Rixt van Donia. Die wapens zijn na de brand hersteld en weer in de nieuwbouw gevel ingemetseld.10)Het adres: Voorstreek 62. Oorspronkelijk bevond zich boven de reeks wapens zelfs nog een groot alliantiewapen Cammingha – Donia. De grootouders van Frans waren waren: Cammingha – Heerma en Donia – Haytsma. Zie voor alle 32 namen: Catalogus van gevelstenen in Leeuwarden (online). De laatste eigenaresse van het Amelandshuis was Juliana Lycklama, geb. thoe Schwartzenberg (1845 -1914). Zij was weer geconverteerd. In 1904 liet zij het Amelandshuis tot ziekenhuis verbouwen voor het St. Bonifatius Hospitaal en schonk het weg. Frans liet zijn erfenis na aan de familie Thoe Schwartzenberg en dus niet aan de andere Cammingha-tak. De reden ervan was het verschil in geloof. (Terwijl ook de katholieke tak uiteindelijk van de heren van Ameland afstamde).

Van Asbeck

Wiardastate, voor- en achterzijde

Zoals bij veel Westfaalse adel het geval was, bestonden er ook bij de familie Van Asbeck al sinds de Middeleeuwen connecties met wat nu Oost-Nederland is. De familie was katholiek. Via bezit in Gelderland (Dravenhorst) en vervolgens in Groningen (Luile-maborg) kwam men later in Friesland te wonen (Sythjemastate, Tjaardastate). Tjalling van Asbeck (1736 – 1794), trouwde er in 1756 met Susanne van Cammingha (1727 – 1801). Zij was de zuster van Ruurd, op Wiardastate, hierboven reeds genoemd. Hun zoon Gerrit van Asbeck werd opgenomen in de Nederlandse adel (1814; baron, 1821). Van hem en zijn vrouw bestaan mooie portretschilderijen, die zich thans in het gemeentehuis van Dokkum bevinden.11)De schilderijen zijn vervaardigd door W.B. van der Kooi. Zie voor de afbeeldingen ervan de site van het RKD, images. Voor Gerrit van Asbeck: 150174 en voor diens eega Petronella van Plettenberg: 147020. In tegenstelling tot Gerrit was diens echtgenote protestant. Daarom werden -als compromis- hun zonen protestants gedoopt en opgevoed, maar hun dochters katholiek. Samen met Gerrit was zijn kinderloze oom Balthasar van Asbeck in de Nederlandse adel opgenomen. Hij was uitgesproken katholiek. Omdat Balthasar het een bezwaar vond dat zijn oomzegger Gerrit van Asbeck een protestantse echtgenote had, liet hij zijn erfenis niet aan hem na wat hardvochtig was. Balthasar bedacht in plaats van Gerrit zijn andere neefje (oomzegger), van de kant van zijn vrouw. Het gaat daarbij om Ernest van Grotenhuis (1775 – 1847). Diens echtgenote was een telg van de katholiek geslacht Van Harinxma thoe Heeg. Bij Van Grotenhuis van Onstein voert er traditioneel iemand de voornaam ‘Elco’, naar de heilige Elco van Lidlum. Het betreft Elco van Liauckema, abt van het klooster Lidlum in de 14e eeuw, die heilig is verklaard. Hij was afkomstig van Liauckemastate. Dit grote kasteel vererfde op van der Laen en uiteindelijk op Ernest van Grotenhuis. De familie Van Grotenhuis heeft daarmee van Liauckema als voorouder en Elco van Lidlum is hun familieheilige. Van het echtpaar Asbeck – Cammingha verdienen naast zoon Gerrit ook de twee dochters vermelding. De oudste, Petronella, trouwde met de Overijsselse edelman Reint van Middachten. Zij bewoonden vooral de havezate Oldhagensdorp in Vollenhoven. En de andere dochter, Everarda, trad in het huwelijk met Jan de Rotte, die als officier naar Friesland was gekomen. Zij waren woonachtig op de Tjaardastate, niet ver van Dokkum verwijderd. Tot de velen die in het jaar 1814 in de Nederlandse adel zijn opgenomen, behoorden de neven, respectievelijk zwagers, van Cammingha, van Asbeck, van Middachten en tevens Maurits, de zoon van zwager Jan de Rotte (overl. 1812).

Erkende Adel

Na de val van Napoleon werd Nederland een zelfstandige natie. Bij de meeste provincies werd er toen snel een Ridderschap opgericht, waarin edelen zitting kregen (1814). In Friesland kregen leden van ruim twintig geslachten ‘erkenning’ reeds tot de adel van Friesland te behoren (juist in deze provincie werd de Ridderschap pas later opgericht, in 1825). Daarbij ging het echter soms om adel die oorspronkelijk niet uit Friesland afkomstig was, of uit het buitenland kwam. Ook gebeurde het, dat betrokkene eerder niet eens tot de adel had behoord. Om dan de term ‘erkenning’ te gebruiken is verwarrend. Want ‘verheffen’ is logischer, voor iemand die zich eerder nog geen edelman mocht noemen. En ‘vreemde’ (buitenlandse) adel komt gewoonlijk door ‘inlijving’ bij de adel van Nederland (bovendien vormen ‘erkenning, inlijving en verheffing’ aparte categorieën, waarvoor aparte prijstarieven zijn vastgesteld. Er zijn andere Friezen inderdaad verheven of ingelijfd). Bij de Nederlandse adel is de warboel nog groter, wanneer het op erkenning van de titel baron aankomt. Men kwam daarvoor in aanmerking, als voorouders (in rechte lijn) tijdens het ancien régime reeds zitting hadden in een Ridderschap. De moeilijkheid was echter, dat er in het gewest Friesland eerder geen Ridderschap had bestaan. In theorie treedt er dan een ander criterium in werking, namelijk dat voorouders gedurende een eeuw al uit zichzelf de titel baron voerden. Want de familie stond daardoor in de 19e eeuw reeds als zodanig bekend. Maar voor Friesland is er allemaal geen rekening mee gehouden.12)Over het voeren van de titel baron in Friesland wordt in de literatuur geen aandacht besteed, zelfs niet in het omvangrijke ‘Wapenregister van de Nederlandse adel’ (2014). Het ruim ‘honderd jaar’ openlijk gebruik maken van de titel als criterium wordt vermeld door P. van Meeuwen bij ‘Adelsrecht’, in M. Beelaerts van Blokland (red.): Hoge Raad van Adel, geschiedenis en werkzaamheden (1966) 84. Een kritische opmerking over ‘erkenning’ als Friese edele vindt men bij Y. Kuiper en J. Frieswijk (red.): Twee eeuwen Friese adel, 1814 – 2000; van landadel naar historisch instituut (2000) 35 – 36. Leden van de familie Van Aysma zijn ten onrechte als adel erkend in 1825. Deze familie had Friesland verder in de 18e eeuw al verlaten. Waarschijnlijk konden leden van geslachten die vanouds als edel bekend stonden, erkend worden als baron (op verzoek). Daar zijn echter fouten bij gemaak, waarover later meer. Het gaat om de volgende eenentwintig geslachten (baron wordt weergegeven als (b)). Van Asbeck (b), Van Beijma, Van Cammingha, Van Eysinga, Van Grovestins (b), Van Harinxma (b), Van Heemstra (b), Hettema (geëmigreerd in de 19e eeuw), De Rotte, Thoe Schwartzenberg (b; Frh. 1429), Van Sytzama (b), Vegelin.

En uitgestorven: Aebinga, Van Aylva (b), Van Aysma, Van Burmania, Van Haren (b), Van Plettenberg (b; Frh. 1661), Schenck van Nydeggen, Du Tour (b), Waubert.

Het valt op dat Van Cammingha geen baron/es is, maar slechts jonkheer/-vrouwe. De reden ervan zal zijn dat er geen verzoek is gedaan om de titel van baron officieel te mogen voeren. Want daar was zeker voldoende aanleiding toe, gezien de andere getitreerde Friese adel (in 2003 organiseerde het Fries Museum de tentoonstelling ‘De van Cammingha’s – de machtigste familie van Leeuwarden’. Hun belangrijkste bezit was de state Camminghaburg geweest, vroeger te vinden bij de huidige Camminghastraat te Leeuwarden). Blijkens de tekst onder het wapenbord was Ruurd er duidelijk wel gevoelig voor om baron te zijn (zie afbeelding). Toch wordt ook beweerd, dat baron ‘niet Fries’ is en dat het predikaat ‘jonker’ er volstaat. Als verklaring wordt gegeven, dat Friesland nauwelijks een feodale structuur kende, omdat het bijna geen landsheer had gehad en daarom ‘vrij’ was. Als Fries ‘sta je erboven’, om een titel van een koning te ambiëren. Verder speelde invloed van de doopsgezinde cultuur mee. Daarvoor geldt dat overdaad uit den boze is, men mocht niet opvallen. Maar ook is het denkbaar dat de familie Van Cammingha in werkelijkheid de taxa te hoog vond, die voor adellijke rangen in rekening worden gebracht. Want het kapitaal was nodig, voor het in stand houden van de Wiardastate. Andere Friese geslachten, als Van Harinxma en Van Heemstra, zijn wel baron.

Duidelijker: verheffing/inlijving

Er zijn enkele kanttekeningen te plaatsen bij de adelsbevestigingen van genoemde eenentwintig geslachten. Om met Van Beijma te beginnen. Begunstigde kreeg in tweede instantie ‘erkenning’ (1842) tot de adelstand te behoren, nadat ervoor ‘verheffing’ ook was overwogen. Uitgerekend dit laatste zou de juiste optie zijn geweest. Want reeds bij Ferwerda (‘Adelyk en aanzienelyk wapenboek’, 1760) staat Van Beijma geboekstaafd als ‘patrice familie’, niet als adel.13)Men was er nadien van overtuigd geraakt, dat Van Beijma toch één geslacht vormde met de oudadellijke familie Beijma. Terwijl beide geslachten een afwijkend wapen hebben. De laatste: twee rozen en twee lelies. En eerstgenoemde: twee lisdodden (ontleend aan het wapen Holdinga) en een zwaard (Douma). Zie voor de genealogie Van Beijma: Stamboek van de Friese adel (1846) 34 – 38. Het volgende geslacht, Hettema, wordt zelfs niet bij Ferwerda vermeld. De aangewezen manier was het geweest, om Monte Hettema te ‘verheffen’. (Overigens op een ondeugdelijke grondslag).14)De veronderstelling dat Hettema van het geslacht Galama afstamt, blijkt onjuist te zijn. Zie B. de Vries en Y. Kuiper ‘Een vrije Fries die baron wilde worden‘, in: It beaken, 45 (1983) 196 – 221. Maurits de Rotte kon een mooie kwartierstaat overleggen. Zijn familie was door opeenvolgende huwelijken met de adel geassimileerd. Toch was het geslacht De Rotte niet van adel. De adels’erkenning’ van Maurits is vanuit administratief oogpunt gezien slordig. Dit is ook het geval bij Van Sytzama, oorspronkelijk ‘eigenerfde’, maar sinds 1700 een militair geslacht. Van Aysma had Friesland in 18e eeuw al verlaten. De erkenning in 1825 is onvoldoende gemotiveerd.

De van oorsprong buitenlandse geslachten Thoe Schwartzenberg en Van Plettenberg waren reeds lang Freiherr (baron), omdat de keizer die titel had verleend in 1429, respectievelijk 1661. Deze buitenlandse titels zijn inderdaad in 1816 en 1848 ‘gehomologeerd’ in die van Nederlands baron. Bij Du Tour was men zelf de titel gaan voeren. De familie verbleef al lange tijd in de Nederlanden. Dit laatste gold ook voor Vegelin (uit Duitsland afkomstig en naar eigen zeggen voordien uit Zwitserland). Daarentegen was Louis Waubert de Puiseau (Versailles 1774 – Sneek 1848) Fransman van geboorte. Zeker bij hem is het verrassend, dat hij niet door ‘inlijving’ tot de Nederlandse adel ging behoren, maar door erkenning. De geslachten Aebinga en Van Burmania stierven uit toen Nederland nog maar een jong koninkrijk was, in 1834 respectievelijk 1825. Daarom had de titel baron er weinig zin en is er geen moeite voor gedaan. De mogelijkheid om adeldom of een titel officieel ‘erkend’ te krijgen, bestaat overigens nog steeds. In 2009 kregen enkele jonkheren en -vrouwen Van Coeverden erkenning van de titel baron.

Wapens met een kruis

Van Heeckeren15)Foto uit F. van der Ploeg en Museum MORE: Kasteel Ruurlo, huis voor Willink (2017) 24

Alliantiewapen, hoofdingang kasteel Ruurlo

Er zijn veel oude geslachten met een christelijk familiewapen. Het meest sprekende als zodanig is een wapenschild, waarop een kruis is te zien. Een oud kruiswapen kan een herinnering zijn aan de kruistochten. Als embleem is het zeer duidelijk en evenwichtig. Want door een kruis wordt het schild radicaal in vier gelijke delen verdeeld. Als de kleuren ook bij elkaar passen, geeft het eigenlijk altijd een mooi resultaat. Door de populariteit van het kruis in de heraldiek zijn er huwelijken bekend, waarbij de echtelieden ieder voor zich een blazoen hebben met daarin een kruisteken. Een treffend voorbeeld is het alliantiewapen bij de hoofdingang van kasteel Ruurlo. Het toont de wapens van Jacob van Heeckeren van Kell, in 1691 getrouwd met Heilwich van Lynden. De kleuren van hun wapens zijn precies tegengesteld (inversie). Dit is ook bijna het geval bij de wapens van Arnold van Bylandt – Rheydt (op goud een kruis van zwart/ ‘sabel’), in 1703 getrouwd met Anna von Ingelheim (op zwart een kruis, geschaakt van goud en rood/ ‘keel’). Oorspronkelijk heette Van Bylandt anders, namelijk ‘Doys’. Dit zou een afleiding kunnen zijn van de voornaam Theodosius (‘Godsgeschenk’), of Theodoricus. Het gegeven dat stamvader Doys de roepnaam Dirk (komt van Theodoricus) had, versterkt deze veronderstelling. Heel misschien hangt zelfs de keuze van zijn familiewapen ermee samen. In 2010 werd Carel van Heeckeren van Kell geïnterviewd, omdat hij en zijn broer de laatste der Heeckerens van kasteel Ruurlo waren (een deel van het landgoed is nog steeds van hen). Dit interview staat online.16)https://landschapsbeheergelderland.nl/met-bewoners/oral-history/kasteel-ruurlo-dat-heerlijke-leventje-nu-wel-voorbij. Het behoort tot een project van Werkgroep Oral History (van Stichting Gelders Landschapsbeheer) met verhalen over landgoederen, dat in een boek resulteerde.17)Het gesprek door Marja Wassenberg met Carel van Heeckeren van Kell werd echter uitgerekend níet gepubliceerd in het bedoelde het boek door A. Kaper en E. Storms (inl.): Verhalen over landgoederen en buitenplaatsen in Gelderland (2012). Carel van Heeckeren droeg verder ook bij aan M. Bakker en M. Ettema (inl.) Verhalen over landgoed Hackfort (2015). In de gemeente Ruurlo wordt de herinnering aan de familie Van Heeckeren op school levendig gehouden door het ‘Jonker Joost Project’.

Alewijn

In de laatste Nieuwsbrief was een bijdrage opgenomen over de familie Alewijn.18)Pieter Oomen: ‘Geschiedenis en sporen van de familie Alewijn’, in Van Adel Nieuwsbrief, 11 (2017 – II) 46 -54, incl. foto van het wapen. Daarin wordt de vraag gesteld naar de betekenis van het samengestelde geslachtswapen. Hierbij volgt een poging daartoe. Een kruis verdeelt het schild van het wapen in vieren. Alewijn is dus gelovig. In twee kwadranten is een zeemeermin, een sirene afgebeeld -of Melusine, een verleidelijke vrouw. Met de wind treurt Melusine om haar verloren kinderen. Heraldisch staat zij symbool voor kinderen. In twee andere kwadranten zijn munten te zien, geld om het gezin mee te onderhouden. En op het snijpunt van het kruis -centraal- bevindt zich een burcht, het familiehuis Vredenburg in de Beemster dus. Feitelijk zijn dit algemene symbolen. Maar wellicht gaat het verhaal verder. De familie-overlevering wil dat Alewijn oorspronkelijk van Halewijn zou heten. Hier hoeft men geen waarde aan te hechten. Want Alewijn is gewoon een voornaam, die als zodanig nog steeds in zwang is. Er is geen bewijs geleverd, dat Alewijn uit het Vlaamse adellijke geslacht van Halewijn (wapen: drie leeuwen) stamt. Iets anders is, dat er enkele burggraven van Leiden leefden met de (voor)naam Halewijn. Daarover bestaat een ballade, die begint met: ‘Heer Halewijn zong een liedekijn’. Het motief van zang dient zich daarmee aan. En met ‘wijn’, in de naam (H)Alewijn, wordt een tweede motief verkregen, die van drank (Engels: Ale – wine; de etymologische verklaring is echter anders). Bij studentenliederen behoort er dan ter completering een derde motief bij, die van een vrouw: ‘wine, women and song’. Dit verklaart misschien de zeemeermin/ sirene in het Alewijn-wapen.

Schimmelpenninck (van der Oije)

In 1822 werden de kinderen van Assueer Schimmelpenninck van der Oye (1769 – 1810) opgenomen in de adel van koninkrijk, waarbij de titel van baron/es werd erkend. Ruim een decennium later, in 1834, trad de zoon van de voormalige raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck (1761 – 1825) tot de adel toe door verheffing als graaf (primogenituur, later uitgebreid). Het gaat om twee afzonderlijke ge-slachten Schimmelpenninck. Zij voeren echter een vergelijkbaar wapen, namelijk op een zilveren schild twee gekruiste, zwarte sleutels. Dit wijst erop, dat er toch een relatie is. Die bestaat eruit, dat het bij de familie van de raadpensionaris om een bastaardtak gaat, die vroeg in de 16e eeuw afstamt van het Zutphense geslacht Schimmelpenninck van der Oije. Een sleutel duidt heraldisch gezien op vertrouwen, bestuur en macht. Bij de overgave van een stadssleutel werd dit tot uitdrukking gebracht. Maar bij twee gekruiste sleutels gaat het voor een Middeleeuwer stellig om de sleutels van de apostel Petrus. (Daarmee tevens die van de paus). Wellicht valt er in dit verband aan het keurvorstendom van Keulen te denken. Dit had bezit in de Nederrijn tot bij Kleef -vergelijk het stadswapen van Xanten. En de Dom in Keulen is gewijd aan St. Petrus, wat veelbetekenend is. De stamboom Schimmelpenninck begint in Zutphen rond 1400. De naam kwam eerder echter al vaker voor, bijvoorbeeld in Duisburg (Nederrijn).19)Zie voor de naam Pfennig, Schimmelpfennig enz. H. Thomsen (2006) https://www.welt.de/print-welt/article233409/Ein-Bauer-namens-Pfennig.html. Daarbij kon het om grote ondernemers gaan. Het is zeer de vraag, of de Zutphense stamvader Jacob Schimmelpenninck zelf van adel was. Wel had Jacob een hoge positie en trouwde hij adellijk. Mogelijk ging Schimmelpenninck via ‘vrouwelijke lijn’ tot de adel behoren. De zoon van Jacob huwde in 1453 met Elsabé van der Oye, een tak van de adellijke familie van Wilp. Later zijn de familienamen samengevoegd tot Schimmelpenninck van der Oye. En ook werd geregeld het samengestelde wapen gevoerd. Voor van der Oye is dit het geschaakte kruis.

Schimmelpenninck van der Oije (variant)

Eenzelfde combinatie van kruis en gekruiste sleutels voerde een grootmeester van de Soevereine Orde van Malta: De Clairmont – Chatte (+ 1660).20)Ook genaamd: de Clairmont de Chattes – Gessan. Diens wapen op Malta: http://www.capsurlemonde.org/malte/heraldique-cathedrale-la-valette.html.
Beide genoemde families Schimmelpenninck bloeien thans nog voort. Zij gaan ieder voor zich op één voorouder terug uit circa 1800. Eerdergenoemde Rutger Jan stond als raadpensionaris aan het hoofd van de Bataafse Republiek. (Hij werd opgevolgd door koning Lodewijk Napoleon). Het koninklijk huis van het geslacht Van Oranje – Nassau stierf in 1962 uit. Dit bestaat in naam slechts voort door exclusieve juridische kunstgrepen. Een werkelijke telg van het huis Van Nassau – Merenberg is woonachtig in Wiesbaden (D).21)Meer hierover bij ‘Clotilde gravin van Nassau – Merenberg’, in Van Adel Nieuwsbrief, 6 (2012 – I) 25 – 29.

Van Oranje / Van Oldenbarnevelt

In 1945 werd het militaire embleem onwikkeld voor het Inspectoraat – Generaal der Krijgsmacht. De Inspecteur – Generaal was destijds prins Bernhard. Het embleem is afgeleid… van de koninklijke onderscheidingsvlag, of ‘standaard’. Die laatste is weer in 1908 ontworpen. Naar vast gebruik bevindt deze vlag zich bovenop het koninklijk paleis, als de koning(in) aanwezig is. Het grote publiek leerde de ‘koninklijke standaard’ eigenlijk pas kennen, door de jaarlijks uitgezonden beelden van het defilé bij paleis Soestdijk ter gelegenheid van Koninginnedag (aanvankelijk waren de uitzendingen niet in kleur, maar in zwart – wit. De defilé’s werden gehouden van 1949 – 1980). De basiskleur oranje is begrijpelijk voor de ‘koninklijke standaard’, de privé – vlag voor het staatshoofd uit het huis Oranje. Het blauwe kruis is daarentegen hoogst opmerkelijk. Niet alleen vanwege de kleur blauw op oranje. Heraldisch kan dit inderdaad niet (oranje is geen primaire kleur en daarom niet echt heraldisch. De ‘email’ blauw behoort verder op ‘het metaal’ goud of zilver en niet op een andere ‘email’). Maar bij vlaggen is qua kleuren meer mogelijk dan vroeger op wapenschilden. Nee, het gaat om het prominent aangebrachte kruisteken. Dit is helemaal geen symbool voor Nassau (heraldisch: een gouden leeuw op blauw) of voor Oranje (heraldisch: een gewende blauwe hoorn op goud). Het betreft een gloednieuw ontwerp met daarin nadrukkelijk een plaats voor het kruis. Er wordt aldus niet eenvoudig Godsvertrouwen mee uitgedrukt. Maar veeleer de bijzondere band die God met Oranje zou hebben (naar de vaste overtuiging van de toenmalige vorstin, Wilhelmina, en tevens volgens hervormd Nederland. Opmerkelijk is het daarbij echter wel, dat het Huis van Oranje in 1908, het jaar dat de vlag in gebruik werd genomen, reeds op uitsterven stond. Volledigheidshalve: op de koninklijk vlag is in iedere hoek nog een hoorn geplaatst).

Embleem IGK, ontleend aan de Oranje – vlag. De kleur
oranje staat hier voor goud

Een kruisvlag kent een rijke geschiedenis. In de kunst heeft Christus bij de wederopstanding uit de dood de overwinningsbanier bij zich, waarop een kruis is afgebeeld.22)Zie voor een afbeelding bijvoorbeeld het schilderij door Gerard Seghers: Résurrection (ca. 1620); Het Louvre, online. De oudste nationale vlag vervolgens is de ‘legendarische Dannebrog’ van Denemarken. Dit is een rode vlag met een wit kruis. Overbekend zijn de vlaggen van Groot – Brittannië en Zwitserland. Griekenland kreeg bij de vrijheidsstrijd in de 19e eeuw een witte vlag met een blauw kruis. De huidige nationale vlag is erop gebaseerd.23)De plechtige ingebruikneming wordt verbeeld door Th. Vryzakis: Bisschop Germanos III zegent de vlag van de Griekse vrijheidsstrijd (1865). Bij een nieuwe vlag of wapen bestaat er het risico, dat het ontwerp eerder is bedacht. Naast Willem de Zwijger, die -romantisch- ‘vader des vaderlands’ wordt genoemd (hij was in Duitsland geboren), wordt ook de staatsman Johan van Oldenbarnevelt (1547 – 1619) met dit epitheton vereerd. Het toeval wil, dat het wapen van diens familie uit een kruis bestaat. Weliswaar gaat het bij Van Oldenbarnevelt om een afwijkend ankerkruis. Maar de familie was er veel vroeger mee dan koningin Wilhelmina met haar vlag.

Nederland dankt zijn ontstaan aan een geloofsoorlog. Tot de nationale geschiedenis uit die periode behoort de beschuldiging door prins Maurits, dat Van Oldenbarnevelt landverraad had gepleegd. Na een politiek proces is de staatsman vier eeuwen geleden door onthoofding geëxecuteerd.24)Van Oldenbarnevelt had steekpenningen aangenomen, hetgeen toen mocht. Dit was hij zelfs bij diens ambtsaanvaarding schriftelijk overeengekomen. Toch bracht het schade toe aan zijn imago. Prins Maurits had met succes een staatsgreep gepleegd. Volgens Van Oldenbarnevelt ambieerde hij het koningschap voor zijn familie. Hij behoorde tot de rijkste Nederlanders, maar zijn goederen werden grotendeels geconfisqueerd. Diens zoon Reinier van Oldenbarnevelt heeft de gerechtelijke moord op zijn vader willen wreken door (samen met zijn jongere broer Willem) een aanslag op prins Maurits te beramen. Dit kwam echter voortijdig uit. Ook Reinier ‘van Groenevelt’, zoals hij naar zijn bezit werd genoemd, kreeg nadat hij was opgepakt de doodstraf en werd onthoofd (1623; Maurits verleende aan hem geen gratie).

Van Oldenbarnevelt

Vermeldenswaardig is het, dat een aantal vernoemingen in de buurt van paleis Soestdijk onbedoeld aan de familie Van Oldenbarnevelt herinnert. Naast het domein van het paleis bijvoorbeeld bevindt zich Kasteel Groenevelt. Dit huis heeft licht gebogen vleugels, wat nadien een inspiratie zou vormen voor de grote zijvleugels van paleis Soestdijk. Het kasteel heeft niet aan Reinier van Groenevelt toebehoort, want bij hem gaat het om een andere Groenevelt. Maar de naam is wel gelijkluidend. Staatsman Johan van Oldenbarnevelt is in Amersfoort geboren of even erbuiten. Daar had de familie een hoeve bij De Birkt, dit is in de richting van Soest. En de route tussen De Birkt en Kasteel Groenevelt voert over de Van Weedestraat. De moeder van Johan van Oldenbarnevelt heette van zichzelf Deliana van Weede. Uit een eerdere bijdrage in Van Adel bleek dat de familie Van Weede het wapen van Stoutenburg is gaan voeren.25)Van Weede in ‘Utrecht (vorst – bisdom; provincie) en enkele oude geslachten’, in Van Adel Nieuwsbrief, 10 (2016 – II) 14. Terwijl Reinier van Groenevelt is veroordeeld, wist zijn jongere broer Willem te ontkomen naar het katholieke Zuiden. Hij was heer van Stoutenburg (Leusden, U.) Daarom gebruikte Willem zowel de naam Van Oldenbarnevelt, als van Stoutenburg.26)Over Willem van Oldenbarnevelt staat een lemma op internet, waarbij tevens zijn portret is te zien. Er heeft tenslotte een geslacht tot de Nederlandse adel behoord met de naam Van Oldenbarneveld genaamd Witte Tullingh. Het stierf in 1941 uit. De lange wapenspreuk begon met (vertaald): Door het geloof het kruis verdragend.27)Foto H.K. Nagtegaal van het wapen van Johan van Oldenbarnevelt, heere van den Tempel, ridder.

Titus von Bönninghausen

Voetnoten   [ + ]

1. Informatief is de Duitse Wikipedia met als trefwoord 1. Maltzahn; 2. Helmuth von Maltzahn (Verwaltungs-jurist). Hij was grootvader van de Nederlandse tak; 3. Schloss Ulrichshusen; (4. Kummerow; 5. Gültz).
En de site van Gutshaeuser und Schlösser met 1. The Von Maltzahn Family; 2. Gutshaus Schloss Grubenhagen. Tenslotte: www.gutpinnow.de
2. Martijn van Dijck (achternaam van zijn moeder), broer van zowel Ewout van Dijck als van Jurri von dem Borne, en halfbroer van Robert von dem Borne. Vraag en antwoord online, d.d. 7 mei 2014
3. De monografie over Von dem Borne is op de site van de familie volledig in te zien http://www.vondemborne.info/ Het vers staat in deel 1, bladzijde VI.
4. Zie voor Poolse wapens het artikel ‘De Bieberstein Rogalla Zawadsky’, in: Van Adel, Nieuwsbrief, 5 (2011 – I)  21 – 24. Op internet: Herby szlachty polskiej (galeria
5. De belangrijkste parochiekerk van Leeuwarden voor de Reformatie, was aan Sint Vitus gewijd. Alleen de markante toren resteert ervan, de ‘Oldehove’ (St. Vitus van Oldehove). Als martelaar voor het geloof was Vitus in Rome voor de leeuwen geworpen. Deze vielen echter niet aan, maar gingen aan de voeten van Vitus liggen. Op afbeeldingen is de heilige herkenbaar, omdat hij door een leeuw vergezeld gaat. In de plaatsnaam Leeuwarden zit onbedoeld een verwijzing naar een leeuw. Want volgens historicus Paul Noomen houdt het woordje ‘leeuw’ hier verband met ‘luwte’, als: in de luwte van iets zijn. Met Wytgard wordt de plaats Wijtgaard/ Wytgaard bedoeld.
6. W. Eekhoff (uitg.): Nieuwe atlas van Friesland (1859, facsimile 1970). Die is online beschikbaar via www.digicollectie.tresoar.nl (Atlas Eekhoff 1849 – 1859). Vergelijk op dezelfde site de voorganger, de fameuze Atlas Schotanus in kleur uit 1718. (Officiee B. Schotanus à Sterringa: Uitbeelding der heerlijkheit Friesland. Facsimile, 1970. En facsimile in kleur, 2015). De Atlas Schotanus heeft bij de dertig grietenijen naast het grietenijwapen ook steeds het wapenschild van een grietman opgenomen. Tevens is iedere kaart verlevendigd door een tafereel. Voor een indruk kan men ook terecht bij J. Werner (red.): Atlas der Neederlanden (2013) 357 – 387
7. Toen Ruurd en zijn gezin het huis bewoonden, leek het als een soort museum te zijn ingericht. Zijn zwager, Gerard Six, geeft een interessante beschrijving van de ridderzaal, kapel, spookdeur, schilderijen, familiewapens enz. Zie daarvoor ‘Het slot Wiardastate te Goutum’, in de Vrije Fries, 12 (1873) 161 – 214. Online http://images.tresoar.nl/wumkes/periodieken/dvf/
dvf-0198-1873-12.pdf.

Begin 1882 is er een tekening van de Wiardastate gemaakt door Heerke Wenning, ingekleurd met zachte tinten. Op internet: Historisch Centrum Leeuwarden beeldmateriaal beeldbank Wenning. Meer afbeeldingen van de state bij S. Rodenhuis en G. Kingma: Wiarda State een familieslot te Goutum van de families Wiarda, Emingha en Cammingha (2014, geprinte versie).

8. Jhr. Vitus van Cammingha schonk de ‘collectie Van Swieten’ -een archief- aan het KITLV (Leiden). De beschrijving ervan is online te vinden onder inventaris 17. De stamreeks van de onderhavige Van Swietens gaat tot in de Middeleeuwen terug, volgens informatie via: genealogieonline, familiestamboom – de – koning.
9. Een foto van Christa (2009) geeft: https://www.persbureau-ameland.nl/cammingha-even-terug.
10. Het adres: Voorstreek 62. Oorspronkelijk bevond zich boven de reeks wapens zelfs nog een groot alliantiewapen Cammingha – Donia. De grootouders van Frans waren waren: Cammingha – Heerma en Donia – Haytsma. Zie voor alle 32 namen: Catalogus van gevelstenen in Leeuwarden (online). De laatste eigenaresse van het Amelandshuis was Juliana Lycklama, geb. thoe Schwartzenberg (1845 -1914). Zij was weer geconverteerd. In 1904 liet zij het Amelandshuis tot ziekenhuis verbouwen voor het St. Bonifatius Hospitaal en schonk het weg.
11. De schilderijen zijn vervaardigd door W.B. van der Kooi. Zie voor de afbeeldingen ervan de site van het RKD, images. Voor Gerrit van Asbeck: 150174 en voor diens eega Petronella van Plettenberg: 147020.
12. Over het voeren van de titel baron in Friesland wordt in de literatuur geen aandacht besteed, zelfs niet in het omvangrijke ‘Wapenregister van de Nederlandse adel’ (2014). Het ruim ‘honderd jaar’ openlijk gebruik maken van de titel als criterium wordt vermeld door P. van Meeuwen bij ‘Adelsrecht’, in M. Beelaerts van Blokland (red.): Hoge Raad van Adel, geschiedenis en werkzaamheden (1966) 84. Een kritische opmerking over ‘erkenning’ als Friese edele vindt men bij Y. Kuiper en J. Frieswijk (red.): Twee eeuwen Friese adel, 1814 – 2000; van landadel naar historisch instituut (2000) 35 – 36. Leden van de familie Van Aysma zijn ten onrechte als adel erkend in 1825. Deze familie had Friesland verder in de 18e eeuw al verlaten.
13. Men was er nadien van overtuigd geraakt, dat Van Beijma toch één geslacht vormde met de oudadellijke familie Beijma. Terwijl beide geslachten een afwijkend wapen hebben. De laatste: twee rozen en twee lelies. En eerstgenoemde: twee lisdodden (ontleend aan het wapen Holdinga) en een zwaard (Douma). Zie voor de genealogie Van Beijma: Stamboek van de Friese adel (1846) 34 – 38.
14. De veronderstelling dat Hettema van het geslacht Galama afstamt, blijkt onjuist te zijn. Zie B. de Vries en Y. Kuiper ‘Een vrije Fries die baron wilde worden‘, in: It beaken, 45 (1983) 196 – 221.
15. Foto uit F. van der Ploeg en Museum MORE: Kasteel Ruurlo, huis voor Willink (2017) 24
16. https://landschapsbeheergelderland.nl/met-bewoners/oral-history/kasteel-ruurlo-dat-heerlijke-leventje-nu-wel-voorbij.
17. Het gesprek door Marja Wassenberg met Carel van Heeckeren van Kell werd echter uitgerekend níet gepubliceerd in het bedoelde het boek door A. Kaper en E. Storms (inl.): Verhalen over landgoederen en buitenplaatsen in Gelderland (2012). Carel van Heeckeren droeg verder ook bij aan M. Bakker en M. Ettema (inl.) Verhalen over landgoed Hackfort (2015).
18. Pieter Oomen: ‘Geschiedenis en sporen van de familie Alewijn’, in Van Adel Nieuwsbrief, 11 (2017 – II) 46 -54, incl. foto van het wapen.
19. Zie voor de naam Pfennig, Schimmelpfennig enz. H. Thomsen (2006) https://www.welt.de/print-welt/article233409/Ein-Bauer-namens-Pfennig.html.
20. Ook genaamd: de Clairmont de Chattes – Gessan. Diens wapen op Malta: http://www.capsurlemonde.org/malte/heraldique-cathedrale-la-valette.html.
21. Meer hierover bij ‘Clotilde gravin van Nassau – Merenberg’, in Van Adel Nieuwsbrief, 6 (2012 – I) 25 – 29.
22. Zie voor een afbeelding bijvoorbeeld het schilderij door Gerard Seghers: Résurrection (ca. 1620); Het Louvre, online.
23. De plechtige ingebruikneming wordt verbeeld door Th. Vryzakis: Bisschop Germanos III zegent de vlag van de Griekse vrijheidsstrijd (1865).
24. Van Oldenbarnevelt had steekpenningen aangenomen, hetgeen toen mocht. Dit was hij zelfs bij diens ambtsaanvaarding schriftelijk overeengekomen. Toch bracht het schade toe aan zijn imago. Prins Maurits had met succes een staatsgreep gepleegd. Volgens Van Oldenbarnevelt ambieerde hij het koningschap voor zijn familie.
25. Van Weede in ‘Utrecht (vorst – bisdom; provincie) en enkele oude geslachten’, in Van Adel Nieuwsbrief, 10 (2016 – II) 14.
26. Over Willem van Oldenbarnevelt staat een lemma op internet, waarbij tevens zijn portret is te zien.
27. Foto H.K. Nagtegaal van het wapen van Johan van Oldenbarnevelt, heere van den Tempel, ridder.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.