In Nederland bevinden zich thans ongeveer 280 geslachten die tot de adel van het koninkrijk  behoren. Daarvan hadden er 139 een band met Nederlands-Indië, vooral omdat een tak van de familie er in de afgelopen twee eeuwen geruime tijd was gevestigd, of in ieder geval een aantal familieleden. Bij 28 geslachten was die band opvallend intensief. Hun namen staan op de lijst extra donker weergegeven. Daarentegen gaat het bij de geslachten De Beijer, Creutz, Hamer, De Mauregnault, Mock, Van Pelser, Van Rendorp steeds om slechts één persoon in Indië. Hij was echter voorouder van de thans bloeiende familie. Van Cammingha wordt op de lijst vermeld vanwege het huwelijk met Van Swieten (in 1919, kleindochter van de commandant van het KNIL). En Van Raab door het huwelijk dat Jacob van Raab van Canstein in 1926 sloot met Johanna Etty uit Nederlands-Indië. Bij het geslacht Calkoen zijn er weliswaar weinig adellijke leden die naar de Oost waren gegaan. En van de takken die niet tot de adel behoren, gingen er eveneens slechts enkelen naartoe. Tezamen vormt het echter toch een redelijk aantal. Daarom staat deze naam wel op de lijst vermeld.

Tot de inmiddels uitgestorven adellijke geslachten met een geschiedenis in Nederlands-Indië zijn te rekenen: Van Alphen, Bangeman, Van Boecop, Bourcourd, Van Braam, De Charon, Chassé, Druyvesteyn, Eckhardt, De Ficquelmont, De Girard, De Groot, (Junius) van Hemert, Holmberg, Janssens, Lochmann, De Raet, Reynst, De Rivecourt, De Salis, Siberg, Von Siebold. Het verhaal wil dat Abraham Gevers het huis De Leeuwenhorst (te Noordwijk) liet bouwen met kapitaal dat gedeeltelijk afkomstig was van de familie Reynst. Voor de bouw van Het Reelaer (te Raalte; Van Welderen Rengers) werd geput uit het vermogen van het geslacht Hoevenaar. En Huis ten Donck (Ridderkerk; familie Groeninx van Zoelen) kon worden gerestaureerd, dankzij eveneens de familie Hoevenaar (via een huwelijk met Holmberg de Beckfelt). De Hoevenaars hadden plantages voor rietsuiker. Het bewerken tot suiker gebeurde sinds de industrialisatie overigens met machines uit Nederland. De gedreven ondernemer in de Oost, tevens bestuurder en politicus, Jacob Th. Cremer, liet boven Haarlem het imposante huis Duin en Kruidberg verrijzen (1909). Zijn kinderen trouwden binnen de adel. Natuurlijk zijn er veel meer landhuizen behouden gebleven of eenvoudigweg gebouwd met winsten uit de koloniën.

Vroeger werden er in Duitsland actief mensen geworven, om naar Indië te gaan en ook om dienst te nemen bij het Nederlands-Indisch Leger. Hun afstammelingen kwamen vervolgens gedeeltelijk in Nederland terecht. Dit verklaart de inlijvingen dicht na elkaar bij de Nederlandse adel van de geslachten Von Boddien in 1898 (uitgestorven 1967); Von Bose 1903; Von Winning 1907 en Von dem Borne 1913. Eveneens via de Oost zijn in ons land woonachtig geraakt: Von Faber, Von Lützow, Von Oven, Von Seydlitz. Maar leden daarvan hebben niet om een opname gevraagd bij de adel van het koninkrijk. Ook Van Stralendorff treft men in ons land aan. Het betreft een tak die voortkomt uit een verbintenis met een njai en nadien wettiging verkreeg door de gouverneur-generaal. Er is later geen verzoek gedaan tot inlijving. Von Balluseck verder deed er lang over om tot de Nederlandse adel te behoren. Fedor Andrejewicz Balluseck werd in 1812 genobiliteerd. Diens zoon was officier in het Oost-Indisch Leger. De opname bij de Nederlandse adel dateert pas van 1995.

Het overzicht met 139 namen bestaat bijna in zijn geheel uit protestantse geslachten. Anders dan men wellicht denkt, gaat het ook bij Van Nispen en Van Voorst niet om katholieke takken die zich in de 19e eeuw in Indië vestigden. Ook bij Van der Maesen en Van Pelser gaat het om huwelijken van voor 1900 met een niet-katholieke echtgenote. Drie broers Van Grotenhuis waren officier bij het Oost-Indisch Leger voor de duur dat zij vrijgezel waren. Alhoewel één van hen er ook na zijn -traditioneel katholieke- huwelijk nog tijdelijk aanbleef, om vervolgens in 1893 burgemeester van Vinkeveen te worden. (In de 20e eeuw gingen er verder twee andere telgen Van Grotenhuis als officier naar Indië). Emile de Roy van Zuydewijn, geadeld in 1912, trouwde tenslotte in 1906 “gewoon” katholiek. Het is dan al weer de twintigste eeuw. Emile overleed te Malang in 1929. Hij bracht het tot 1e luitenant-kwartiermeester. 

Door de VOC en door het koloniale bestuur was de protestantse kerk vanouds in Nederlands-Indië gevestigd. Nederlandse jezuïeten gingen er pas in de tweede helft van de 19e eeuw naartoe. Hubert de Kuijper (1891-1970) werd er iets later pastoor van Magelang. Ernest van Voorst tot Voorst (1894-1966; katholieke tak) was uiteindelijk hoofdlegeraalmoezenier van het Oost-Indisch Leger in 1946-1949. De andere hier te noemen persoon zat er het vroegst van de drie, namelijk Leopold van Rijckevorsel (1884-1955). Naast pastoor was hij leider van een groot-seminarie op Midden-Java. Maar Leopold hoorde niet tot een geadelde tak Van Rijckevorsel.  

Vanuit Nederland-Indië vestigden Hollandse families zich vervolgens ook weer elders in de wereld. Om slechts enkele voorbeelden te geven D’Ablaing (Californië), Falck (Zuid-Afrika), De Mey (Indonesië, Californië), Dibbets, Van Raders (Nieuw-Zeeland). Naar aanleiding van de revolutie in 1917 verlieten zowel Ollongren als Wladimiroff hun vaderland, namelijk Rusland, en vestigden zich aanvankelijk in Nederlands-Indië, nadien in Nederland. (Drie broers Wladimiroff uit Den Haag werden in 1978 in de adel van het koninkrijk opgenomen. De inlijving van Alexander Ollongren, geboren Sumatra 1928, gebeurde in 2002).

Geslachten die slechts een geringe relatie hadden met de Indische Archipel en daarom niet in het overzicht voorkomen zijn bijvoorbeeld: Backer, Brantsen (veel meer gericht op Suriname), De Brauw, Van der Brugghen (vooral tijdens de 18e eeuw in de Oost), De Casembroot, Van Heurn, Melvill, Van Nijevelt, Thoe Schwartzenberg, Serraris, Van Spengler, Stoop, Stratenus, Wesselman.

Verder dient te worden opgemerkt dat de 18e eeuwse gouverneur-generaal Jeremias van Riemsdijk niet tot het gelijknamige geslacht behoorde uit de Nederlandse adel. (Hij voerde ook een ander geslachtswapen. Beide families Van Riemsdijk hebben veel geschiedenis in de Oost). Een kleindochter van de 18e eeuwse gouverneur trouwde in 1802 met Beelaerts, heer van Blokland. Zij zijn stamouders van de hoofdstaak Beelaerts van Blokland.

Als pro memorie is de naam Van Wijnbergen aan de lijst toegevoegd met als enige reden de persoon Tine van Wijnbergen, 1819-1874 (protestant, geen adelserkenning gevraagd). Zij was echtgenote van Eduard Douwes Dekker (diens pseudoniem: Multatuli), bekend door het invloedrijke boek “Max Havelaar, of de koffiveilingen der Nederlandsche handelmaatschappy”.

Bij de beroepen destijds van genoemde personen is te denken aan dat van ambtenaar, resident, klerk, planter (rubber, katoen, suiker, rijst, tabak, indigo enz.), fabrikant (bijvoorbeeld suikerindustrie, productie van kopra uit kokosnoten), administrateur, pakhuismeester, militair, zeekapitein, ingenieur. Grote firma’s waren: Billiton, Deli-maatschappij, Bataafse Petroleum, Koninklijke Paketvaart (deed ook lijnverbindingen per boot). De Nederlandsche Handel-Maatschappij, die als een soort opvolger wordt beschouwd van de VOC en het hoofdkantoor in Amsterdam had, fungeerde tevens als bank. De NHM had verder ook eigen plantages. Een bijzonderheid is dat de textielindustrie in Nederland profiteerde van de Lijnwadenverordening uit 1824 (protectionisme), waardoor Nederlands-Indië een belangrijke afzetmarkt was voor met name Twentse fabrieken.

Op de lijst staan vijftien prominente Amsterdamse geslachten vermeld: Alewijn, Bicker, Boreel, Calkoen, Elias, Van Eys, Graafland, De Graeff, Van Lennep, Ploos, Van de Poll, Rendorp, Six, De Smeth, De Vicq. De eerste president-directeur van Nederlansche Handel-Bank was Willem van de Poll (1763-1836). Hij werd opgevolgd door Gerrit Schimmelpenninck, (1794-1863), zoon van raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck en de Amsterdamse Catharina Nahuys.

De gekende geslachten uit het noorden van het land, uit de provincies Groningen en Friesland, die op de lijst voorkomen zijn achtereenvolgens: Van Asbeck, Van Cammingha, Van Heemstra, Van Imhoff, Lewe, Lohman, Van Panhuys, Quintus, De Rotte, Siccama, Smissaert, Trip, Wichers.

Vooral tijdens het begin van het koninkrijk (sinds 1815) werden er erfelijke adelsgunsten verleend vanwege persoonlijke verdiensten. Een bekende gouverneur-generaal van Nederlands-Indië was de ideeënrijke Johannes van den Bosch (1780-1844). In 1839 werd hij tot graaf (bij primogenituur) gecreëerd. Van den Bosch had als opvolger gouverneur-generaal Jean Baud. Hem werd in 1858 de titel baron (primogenituur) verleend. Er is toen ook een familiewapen vastgesteld. Het schild wordt daarbij vastgehouden door twee Javanen. Aan de militaire bevelhebber Josephus van Geen was eerder, in 1831, dezelfde gunst verstrekt van baron (primogenituur). Bij zijn geslachtswapen wordt het schild door twee Boeginezen geflankeerd. Deze inheemse personen die als “schildhouder” dienst doen, zijn een herinnering aan de oorlog in Macassar. Hendrik de Kock voerde als Van Geen het militaire opperbevel in Indië en was er bovendien luitenant gouverneur-generaal. De Kock werd in 1835 geadeld als baron (primogenituur).

Tenslotte doet over de civiele en militaire gouverneur van Indië, Jo van Heutsz (1851-1924), het verhaal de ronde dat koningin Wilhelmina hem in 1910 had aangeboden, om hem te nobiliteren. Hij zou dan jonkheer worden. Maar Van Heutsz was er niet tevreden mee en wenste voor de titel baron in aanmerking te komen. Tijdgenoten van Jo van Heutsz konden immers reeds als jonkheer worden geadeld, indien hun voorouders uit het vérre verleden (tijdens de Republiek) drie generaties stedelijk regent waren geweest. Bovendien was Van Heutsz’ vroegere voorganger Johannes van den Bosch, evenals hijzelf zowel civiel als militair gouverneur, met een hogere titel vereerd. Waarschijnlijk wilde Van Heutsz daarom meer. De tijden waren echter aan het veranderen. Een hogere titel werd hem niet vergund, zodat alles bij het oude bleef en het alleen om een overlevering gaat. Recentelijk verscheen er een biografie over Van Heutsz door Vilan van de Loo, getiteld “Uit naam van de majesteit” (Prometheus, 2020). Mocht iemand informatie hebben over militaire families uit Nederlands-Indië, is die zeer welkom via www.inatjehgevochten.nl

Titus von Bönninghausen

Oorspronkelijke publicatie: Nederlandse adel in Indië, Van Adel, Nieuwsbrief van de Nederlandse Adelsvereniging, 2021-I, p. 16-21.

Nederlandse adel in Indië (uit 139 geslachten; 28 met een intensieve band)

v Aerssen
Alewijn 
v Asbeck
v Balluseck
Barnaart
Baud
den Beer
Bentinck
v Beresteyn
v den Bergh
vB v den Bergh
v Berkhout
de Beijer
Bicker
Bloys
v Boetzelaer
Boogaert
v der Borch
Boreel
v dem Borne
v den Bosch
v Bose
Bowier
v den Brandeler
Cl K v Breugel 
vdD de Bye
Calkoen
v Cammingha
v der Capellen
v Citters
Coenen
Collot
Creutz
v Eck
Elias
v EysFeith
v der Feltz
Flugi
v Geen
v Geusau
Gevers
v der Goes
Goldman
Graafland
de Graeff
Graswinckel
Groeninx
v Grotenhuis
v Haeften
v Haersolte
Hamer
v Heeckeren
vH v Beest
v Heemstra
v Heerdt
v Hemert
v Höevell
v Hogendorp
v Holthe
v Hoorn
Hurgronje
v Imhoff
v Isselmuden
v Ittersum
de Jonge
Just
de Kock
Krayenhoff
v Kretschmar
de Lannoy
v Lawick
v Lennep
Lewe
Leyssius
v Lidth
v Limburg
Lohman
Loudon
v Lynden 
v der Maesen
de Mauregnault
Meijer
Mock
v Mühlen
de Muralt
Nahuys
v Nispen
Ollongren
v Panhuys
v Pelser
Ploos
vd Poll
Quarles
Quintus
v Raab
v Randwijck
v Ranzow
v Rappard
v Reede
Rendorp
v Riemsdijk
Röell
de Rotte
de Roy
Sandberg
Schimmelpenninck
v Schmidt
de Serière
Siccama
v Slingelandt
Sloet vO
Six
de Smeth
Smissaert
Storm
Strick
de Stuers
de Sturler
v Styrum
v Suchtelen
Sweerts
Taets
v Till
Trip
Tulleken
vT v Serooskerken
Versluys
Verspyck
de Vicq
de Villeneuve
v Voorst
de Vos
Wichers
v Winning
Wladimiroff
Wttewaal
v Wijck
v der Wyck
[v Wijnbergen]

Voetnoten

  1. Het overzicht is gebaseerd op het Nederland’s Adelsboek, 38 (1940) – 98 (2014).
  2. Zie de genealogische publicaties door E. Boutmy de Katzmann, P. Christiaans, R. de Neve.
  3. De stamnaam bij Van Zuylen van Nijevelt is Van Nijvelt en niet Van Zuylen, zoals ten onrechte dikwijls wordt aangenomen. Een zelfde soort vergissing wordt er bij de geslachtsnamen Van Heemskerck van Beest, respectievelijk Van Tuyll van Serooskerken gemaakt. De stamnaam is Van Beest en Van Serooskerken.
  4. Gedeeltelijk krijgt men een indruk van Jeremias’ nageslacht in P. Feith en P. Bloys van Treslong Prins: De bekende landheer van Tjampea c.a. Willem Vincent Helvetius van Riemsdijk, zijn naaste familie en zijne afstammelingen (1933).
  5. Het adelsbeleid is onevenwichtig. De enkele hoedanigheid van gouverneur-generaal (GG) vormde echter geen reden, om in de adelstand te worden opgenomen. De late verheffing van de oud-GG James Loudon in 1884 gebeurde, omdat koning Willem III dit wilde. (Evenals eerder de adelsverheffing in 1880 voor Van Doorn bijvoorbeeld. De families Loudon en Van Doorn zijn duidelijk goed geparenteerd). In 1821 en 1840 werden beide familieleden Siberg en Alting Siberg tot jonkheer gemaakt. Ook deze nobilitaties zijn opmerkelijk. Zij houden verband met het gegeven dat de GG in 1801-1805, Joannes Siberg, in 1776 trouwde met een dochter van Willem Alting, een veel besproken GG in 1780-1796. De genobiliteerden waren afstammelingen. Maar deze takken zijn intussen weer uitgestorven. De thans nog bestaande tak Alting Siberg bleef ongeadeld. Overigens waren Gouverneur-Generaal Siberg, Alting en Loudon niet tevens een hoge militair. De stafofficier Janssens fungeerde in de Napoleontische tijd kort als GG (1811). Diens adelsverlening door koning Willem I in 1816 staat daarom los van zijn ambt tijdens het keizerrijk. Léonard du Bus, sinds 1819 burggraaf (primog.), was GG in 1826-1830. Uit erkentelijkheid en dus wel verband houdend met diens hoge positie, werden zijn zonen ieder in 1834 baron bij primogenituur. Desondanks koos het gezin na de afscheiding voor België. De familie bestaat niet meer.